Vreemd genoeg wordt er nog altijd gediscussieerd over de definitie van een competentie. Het belang van een eensluidende definitie is echter relatief. Het is natuurlijk wel relevant voor degenen die zich met de taal zelf bezig houden.
In de praktijk blijkt het voor medewerkers en leidinggevenden niet zo'n probleem. Althans, men heeft al snel een basisidee van de begrippen en kan daarmee aan de slag. In de vakliteratuur blijkt een zekere mate van begripsvervuiling
op te treden, met name door het al dan niet opnemen van eigenschappen en andere persoonlijkheidskenmerken in de definitie.
Het meest simpele model dat wordt gehanteerd in het competentiemanagement is het onderscheid in kennen, kunnen en willen. Kennen wordt daarbij verbonden met kennis, kunnen met vaardigheden en tenslotte willen met attitude. De meest praktische en simpele definitie van een competentie is die van Martin Mulder (in Competentieontwikkeling in organisaties): een geïntegreerd cluster van kennis, vaardigheden en attitude
.
Als men daarbij nadrukkelijk beseft dat er geen causaal verband is tussen gedrag en competenties kan men daarmee goed uit de voeten. Gemakshalve laten we hier dus ook de invloed op het gedrag van persoonlijkheid (intelligentie, karakter), aangeleerde gedragspatronen en van de context buiten beschouwing.